Matrix FietsCommunity
Domeinen
Onderzoekstypen
Kringen
matrix-2nov16

De Matrix Uitgelegd

Rob van der Bijl, mei-november 2016

Het domein van het fietsen in kaart brengen en te ontsluiten is aanleiding en rechtvaardiging geweest om de Fietscommunity een nieuw en uitgebreid platform te bieden. Daarbij zal de komende tijd gebruik worden gemaakt van onze matrix en de bijbehorende ‘5 E’s’, dat zijn de vijf domeinen die in beginsel alle vormen dekken van fietsonderzoek en fietsgerelateerde activiteiten. Begin 2015 is het rapport ‘5xExFiets’ gepubliceerd dat op verschillende bijeenkomsten van de Fietscommunity is gepresenteerd en besproken (download hier de geactualiseerde versie). Op basis hiervan is nu de beschrijving van de ‘5 E’s’ bijgesteld en verbeterd. Hier gaan we dan ook de komende drie jaar mee verder.
Hieronder gaan we in de eerste drie delen van deze continue blog nader in op het werken met de matrix. In het eerste deel worden de 5 E’s in hun verbeterde vorm gepresenteerd. En in het tweede deel bespreken we de maatschappelijk inbedding van fietsonderzoek. Ten slotte het vooralsnog laatste, derde deel waarin wordt uitgelegd welk typen van onderzoek door ons worden onderscheiden. De drie delen corresponderen respectievelijk met de drie dimensies van de matrix, als volgt (met telkens in cursief de Engelse vertaling):

= Domeinen / Domains:
(E1) Effectieve mobiliteit / Effective mobility
(E2) Efficiënte stad / Efficient city
(E3) Economie / Economy
(E4) Milieu / Environment
(E5) Sociale cohesie / Equity

= Kringen / Circles:
(C1) Bovenbouw / Superstructure
(C2) Middenveld / Civil society
(C3) Basis / Grassroots

= Onderzoekstypen / Types of Research:
(R1) Wetenschappelijk / Scientific
(R2) Toegepast wetenschappelijk / Applied scientific
(R3) Toegepast technisch / Applied technical
(R4) Toegepast beleidsmatig / Applied policy
(R5) Vrij (en overige) / Free (and other)

In beginsel omvat de matrix dus (5x3x5=) 75 velden. Een hoofdtaak van de Fietscommunity is het vullen van deze velden – in de eerste plaats door bestaand fietsonderzoek te traceren om vervolgens in de matrix onder te brengen. De reeds gelinkte organisaties en instellingen vormen hiervoor de meest voor de hand liggende kandidaten. Een bijzondere opdracht in dit verband is om de kennisbank van het Fietsberaad te exploreren ten einde de matrix nog verder te kunnen vullen. Daarnaast zal de community zich inspannen om nog niet gelinkte, maar wel al bekende organisaties in het netwerk op te nemen en relevant onderzoek alsnog in de matrix te stoppen. Bovendien zal constant gespeurd worden naar nog onbekende instellingen, initiatiefnemers, etc., die mogelijk met voor fietsen relevant onderzoek in de weer zijn. Wanneer duidelijk is dat bepaald onderzoek ontbreekt, zal de community niet schromen om dat onderzoek zelf op te starten, of andere partijen aan te bemoedigen dit ontbrekende onderzoek ter hand te nemen.

In latere delen van ‘De Matrix Uitgelegd’ zullen we ingaan op specifiekere onderwerpen. Bijvoorbeeld zullen we uitweiden over de wijze waarop bepaalde vakgebieden zich verhouden tot de 5 E’s en de bijbehorende matrix. Fietsverkeersveiligheid, fietseconomie en fietsinfrastructuur en vervoerarmoede zijn bijvoorbeeld gebieden waar we dan bij zullen stilstaan. Bovenal is het de bedoeling om de Fietscommunity te betrekken bij uitwerking van de matrix en de vijf domeinen. Schroom dus niet uw commentaar te leveren, vragen te stellen, of suggesties te doen.

1. Vijf domeinen voor de fiets

De maatschappelijke betekenis en het praktisch belang van fietsen moeten volledig in kaart worden gebracht. De vijf domeinen vormen daarom de basis voor (toekomstig) fietsonderzoek. De eerste dimensie komt overeen met deze vijf domeinen, oftewel de vijf E’s:
(E1) Effectieve mobiliteit – Doeltreffendheid vervoer en mobiliteit.
(E2) Efficiënte stad – Doelmatigheid van ruimtegebruik en ruimtelijk/stedelijke (her)ontwikkeling.
(E3) Economie – Welvaart en welzijn in/voor de stad.
(E4) Milieu (Environment) – Verkleining ‘footprint’; duurzame stad.
(E5) Sociale cohesie (Equity) – Sociaal inclusieve stad.

E1 – Effectieve mobiliteit
Wat kan fietsen als vorm van vervoer bijdragen aan een doeltreffende mobiliteit? Fietsen is onderdeel van het gehele mobiliteitssysteem. Er moet worden onderzocht hoe dit systeem (nog) beter kan functioneren en hoe het fietsen hierin een rol kan spelen. Behalve reistijd zijn vele factoren in dit verband van belang. Het mobiliteitssysteem moet immers vooral betrouwbaar en veilig zijn. Ook wordt verwacht dat het systeem veerkrachtig is om tegemoet te kunnen komen aan onverwachte gebeurtenissen dagelijks op straat of in tal van toekomstige situaties.
Binnen het domein van E1 is reeds veel onderzoek verricht. Een reeks van onderwerpen blijven niettemin actueel. Bijvoorbeeld, motivaties waarom er wordt gefietst vertegenwoordigen nog grotendeels onontgonnen terrein.  En over hoe fietsen wordt beschouwd en ervaren door verschillende bevolkingsgroepen? Fietsinfrastructuur is uiteraard een groot onderwerp, evenals fietstechnologie. Fietsparkeren verdient veel aandacht. Vracht per fiets, over stedelijke logistiek, en kansen en beperkingen voor de fietsmodaliteit vertegenwoordigen tezamen een nog nagenoeg nieuw gebied van onderzoek.

E2 – Efficiënte stad

Wat kan fietsen als vorm van vervoer met een zekere ruimtelijke impact bijdragen aan een doelmatig gebruik van stedelijke ruimte? Het ruimtebeslag van mobiliteit is een actueel vraagstuk dat om nader onderzoek vraagt. De ruimtelijk druk op steden neemt immers toe. Modaliteiten blijken elkaar in de weg te zitten. Fietsen is ongetwijfeld onderdeel van toekomstige oplossingen. Daarnaast heeft fietsen doorgaans positieve ruimtelijke effecten. Onderzoek kan in beeld brengen hoe meer fietsmobiliteit steden compacter, mooier en doelmatiger kan maken.
Een bijzonder en nog amper verkend onderwerp zijn stedelijke knooppunten die behalve door openbaar vervoer (‘transit oriented development’) ook worden ondersteund door fietsen (‘bike oriented development’).
Hoe fietsen als ontwerpinstrument kan dienen, is eveneens een actueel onderwerp. Zo kunnen kansen in beeld komen voor beleidsmakers en ontwerpers om inrichting en vorm van het publieke domein te verbeteren.

E3 – Economie
Wat kan fietsen bijdragen aan de economie? Welvarende steden als Amsterdam en Kopenhagen zijn niet voor niets bekend door hun sterke fietscultuur. Behalve de waarde van toegankelijkheid per fiets is met name ook de iconische status van fietsen van economische waarde. Dit onderwerp verdient verdere uitdieping.  Bijvoorbeeld door in beeld te brengen wat fietsen bijdraagt aan de omzet van winkels en voorzieningen. ‘Bikeonomics’ vat het onderzoeksgebied samen waarin alle kosten en opbrengsten expliciet worden gemaakt, die samenhangen met mobiliteit (E1), ruimte (E2), milieu (E4) en sociale cohesie (E5), in het bijzonder waar de fiets verschuivingen/effecten te weeg brengt.
Verder kan nieuw onderzoek in beeld brengen hoe de Nederlandse export kan worden versterkt. Welke fietskennis, –producten en –technologie kunnen in de komende jaren (verder) worden ontwikkeld voor buitenlandse markten?

E4 – Milieu (Environment)
Hoe kan fietsen bijdragen aan een beter milieu? Het verkleinen van onze ‘footprint’? De opgave voor het creëren van duurzame steden vertegenwoordigt onderzoeksonderwerpen met evident belang. Als schone vorm van mobiliteit kan de fiets hier een grote rol spelen. De agenda van het fietsonderzoek moet aan deze rol recht doen. Zo is het belang van fietsen voor ‘groene mobiliteit’ nog nauwelijks voor het voetlicht gebracht. In het algemeen zouden de mogelijke milieu-effecten van fietsen in beeld moeten worden gebracht.

E5 – Sociale cohesie (Equity)
Hoe kan fietsen bijdragen aan het versterken van de sociale cohesie? Het Amerikaanse begrip ‘equity’ staat voor gelijkheid. Iedereen moet kunnen deelnemen aan de samenleving. Een essentiële voorwaarde is toegankelijkheid van werk, voorzieningen en sociale kringen. Onderzoek moet aan het licht brengen hoe met fietsen aan deze maatschappelijke toegankelijkheid kan worden bijgedragen, en dus hoe fietsen sociale inclusie kan versterken en segregatie tegengaan. Vervoerarmoede is in dit verband een onderzoeksonderwerp dat prioriteit verdient.
Binnen het sociale domein van fietsen is nog een reeks van aandachtsgebieden relevant. Te denken valt aan de ouderen en hun mogelijkheden en beperkingen om te kunnen fietsen, of aan problematische wijken met kansarme bevolkingsgroepen waarvoor fietsen geenszins vanzelfsprekend is. Demografische en sociaal-culturele aspecten verdienen in dit verband bijzondere aandacht. Hetzelfde geldt voor lichamelijke gezondheid.

2. Drie kringen voor de fiets

De maatschappelijke betekenis en het praktisch belang van fietsen moeten volledig in kaart worden gebracht. De vijf domeinen (E1-5) vormen daarom de basis en de eerste dimensie voor (toekomstig) fietsonderzoek. In dit tweede deel van ‘de Matrix Uitgelegd’ wordt nader ingegaan op de maatschappelijke inbedding van de fietsdomeinen en bijbehorend onderzoek, oftewel de tweede dimensie van de matrix die drie organisatietypen omvat, oftewel drie kringen als volgt:
(C1) Bovenbouw – Overheid, universiteit en bedrijfsleven.
(C2) Middenveld – Non-profit sector, NGO’s en communities-of-practice.
(C3) Basis – Informele en lokale activiteiten, door burgers, pleitbezorgers, solisten.

C1 – Bovenbouw
Waar vindt binnen de sfeer van staat en markt onderzoek plaats naar fietsen? Veel van dit bovenbouw gerelateerde onderzoek wordt verricht op formeel-institutioneel niveau, dat wil zeggen door overheden en met behulp van gelieerde instellingen zoals het NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek), dat als zelfstandig bestuursorgaan valt onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van OCW.
Universiteiten behoren dus ook tot de bovenbouw. Ze zijn immers sterk verbonden met de overheid en voor de financiering in grote mate afhankelijk van die overheid. Daarnaast omvat de bovenbouw het commerciële bedrijfsleven, dat zelf onderzoek verricht, ofwel dat onderzoek naar fietsen financieel ondersteunt, of stimuleert door het verlenen van onderzoeksopdrachten. Overigens hebben overheden een vergelijkbare rol. Ze kunnen immers fietsonderzoek stimuleren door op basis van projecten opdrachten te verlenen aan bedrijven en universiteiten.
Advies-, onderzoeks- en ontwerpbureaus moeten vanwege hun veelal commerciële status ook tot de bovenbouw worden gerekend. Soms weten ze zich te verbinden met non-profit sector, of burgers. Dan kunnen ze als onderdeel van een samenwerkingsverband tot het middenveld worden gerekend.

C2 – Middenveld
Welk onderzoek vindt plaats in het maatschappelijk middenveld? Wat voor soort organisaties en instellingen zijn actief op het gebied van fietsonderzoek? De ‘civil society’ vertegenwoordigt een belangrijk deel van het maatschappelijk middenveld. Voor de matrix zijn vooral de talrijke non-profit instellingen van belang, zoals CROW, een onafhankelijke stichting die zich opwerpt als non-profit kennispartner voor (decentrale) overheden, aannemers en adviesbureaus. Het fietsonderzoek vindt plaats binnen de onderdelen CROW-Fietsberaad en Kennisplatform Verkeer en Vervoer.
Het maatschappelijk middenveld omvat vele actoren die zich met fiets-gerelateerd onderzoek bezig houden en daarmee ondersteuning bieden voor niet-commerciële, maatschappelijke doeleinden die met het fietsen samenhangen. Tot het middenveld kunnen verder allerlei onderzoeksinstellingen en niet-gouvernementele organisaties worden gerekend. Daarnaast zijn hier voor fietsonderzoek publiek-private samenwerkingsverbanden van belang, en in hun kielzog communities-of-practice en intermediare instellingen.

C3 – Basis
Wat voor fietsonderzoek wordt door burgers en pleitbezorgers zelf gedaan? Wat is de rol in dit verband van fietsers zelf? Veel onderzoek op het gebied van fietsen wordt uitgevoerd door burgers en pleitbezorgers. Deze voorvechters worden weliswaar ook tot de ‘civil society’ gerekend, maar voor de matrix is van belang dat dit deel van het maatschappelijk veld veelal bestaat uit burgers en dus ook fietsers zelf. Zij vertegenwoordigen de basis. In Amerika spreekt men in dit verband van ‘grassroots’, oftewel maatschappelijke en politieke processen die aan de basis worden ontwikkeld, waaronder toegepast en geëngageerd fietsonderzoek door burgers, pleitbezorgers, voorvechters, individualisten, uitvinders, etc.
Een deel van de maatschappelijke basis is opgenomen in organisatorisch verband, zoals buurtverenigingen en vrijwilligersorganisaties. De Fietsersbond bijvoorbeeld, staat aan de basis van veel fietsonderzoek. Deze vereniging telt bijna 35 duizend leden en 150 lokale afdelingen, en 1500 actieve leden en vrijwilligers. Veel van dat vrijwilligerswerk vindt plaats op lokaal niveau.
Het is niet altijd duidelijk of dit soort organisaties (zoals ook milieuverenigingen, geformaliseerde actiegroepen) niet ook (of uitsluitend) tot het middenveld moeten worden gerekend. Zo heeft de Fietsersbond een landelijk bureau met beleidsmedewerkers en vervult daarmee een rol op het maatschappelijk middenveld. Het onderzoek vindt echter veelal plaats op de basis en heeft daardoor onmiskenbaar het karakter van grassroots.

3. Vijf onderzoekstypen voor de fiets

De maatschappelijke betekenis en het praktisch belang van fietsen komt tot uitdrukking in de vijf domeinen (E1-5) en de drie kringen (C1-3) die hiervoor zijn uitgelegd. De derde dimensie van onze matrix completeert het veld en omvat vijf typen onderzoek, hier samengevat als volgt:

(R1) Wetenschappelijk – Universiteiten en hogescholen; bijvoorbeeld UvA.
(R2) Toegepast wetenschappelijk – Universiteiten en hogescholen; bijvoorbeeld Erasmus Universiteit.
(R3) Toegepast technisch – TUD, TNO, ontwerp- en adviesbureaus, Fietsberaad en industrie.
(R4) Toegepast beleidsmatig – ANWB, TNO, adviesbureaus, Fietsberaad en gemeenten.
(R5) Vrij (en overige) – Bijvoorbeeld kunstenaars en uitvinders.

R1 – Wetenschappelijk
Het fenomeen fietsen kan (en moet) onderwerp van puur wetenschappelijk onderzoek zijn, maar dit onderzoek is niet direct toepassingsgericht. Ook wel aangeduid als fundamenteel of zuiver wetenschappelijk zal dit type onderzoek niet beogen om onmiddellijk praktische fietsvraagstukken op te lossen. Het primaire doel is om op controleerbare wijze kennis te vergaren, bijvoorbeeld over fietsen. Praktische toepassingen zijn weliswaar mogelijk, maar uitsluitend op de langere termijn. Ondanks het toenemende belang dat aan zogenaamde valorisatie wordt toegekend, zijn puur wetenschappelijke onderzoeksprojecten in de eerste plaats bedoeld om geldige kennis te vergaren, bijvoorbeeld vastgelegd in principes of theorieën, waarmee aspecten van het fenomeen fietsen verklaard of voorspeld kunnen worden.

R2 – Toegepast wetenschappelijk
Voor dit type onderzoek gelden uiteraard ook de geldende wetenschappelijk methoden, normen en conventies, maar kennisverwerving is er niet een doel op zich. Het primaire doel is om op controleerbare wijze praktisch toepasbare kennis te vergaren. Met elk toegepast wetenschappelijk onderzoeksproject over fietsen worden oplossingen aangedragen, of praktische toepassingen gevonden. Dergelijke projecten zijn van meet aan dienstbaar aan het gebruik in een of meerdere praktijken die met het fietsen samenhangen. Hoewel daartoe fundamentele kennis kan worden aangewend, schuilt in dit dienstbaar maken het grote verschil met zuiver wetenschappelijk onderzoek.

R3 – Toegepast technisch
Anders dan toegepast wetenschappelijk, is toegepast technisch onderzoek expliciet gericht op het vinden van technische oplossingen voor maatschappelijk vraagstukken, of voor puur technische uitdagingen. Dit type onderzoek kan een wetenschappelijke karakter hebben. Dan is er sprake van
technisch-wetenschappelijk onderzoek, waarbij het gangbaar is om de zogenaamde utilisatie van meet af aan als leidend principe te nemen. De utilisatiekansen worden expliciet gemaakt door aan te geven hoe de technische kennis door derden kan worden gebruikt.
Een bijzondere vorm van toegepast technisch onderzoek wordt wel aangeduid als ‘ontwerpend onderzoek’. Anders dan gebruikelijk bij methoden die horen bij de verschillende vormen van wetenschappelijk onderzoek, staat het ontwerpen centraal. Dat wil zeggen, ontwerpen wordt gebruikt als methode om te komen tot technische en functionele oplossingen. Dit is typisch het werk van architecten, ingenieurs en industrieel ontwerpers, bijvoorbeeld wanneer ze fietsparkeervoorzieningen, fietsinfrastructuur of fietsmodellen ontwerpen, construeren en vormgeven.

R4 – Toegepast beleidsmatig
Dit type onderzoek heeft veel gemeen met toegepast wetenschappelijk onderzoek. Het doel is echter specifieker. Weliswaar gaat het om het op controleerbare wijze vergaren van toepasbare kennis, maar toegepast beleidsmatig onderzoek is immer expliciet gericht op onderbouwen en ontwikkelen van overheidsbeleid. Uiteraard kan dit type onderzoek een wetenschappelijke karakter bezitten, hetgeen de legitimatie van het gewenste beleid mogelijk vergroot.
Een belangrijk verschil met technisch toegepast onderzoek zetelt in de utilisatie, die altijd indirect is, namelijk verloopt via het te voeren beleid. De utilisatiekansen zijn dus altijd impliciet. Het succes van mogelijke toepassingen is eerst en vooral afhankelijk van het beleidssucces. Hierin schuilt een wezenlijk verschil met toegepast wetenschappelijk en toegepast technisch onderzoek.

R5 – Vrij (en overige)
Vrij onderzoek is op heel veel verschillende manieren mogelijk. Hopelijk op manieren die we nog niet kennen, maar uiteraard ook op waardevol gebleken manieren. Zo kan er geleend worden van wetenschappelijk onderzoek, maar ook van de eerder beschreven vormen van toegepast onderzoek. Het grote verschil met alle andere onderzoekstypen is het ontbreken van een dwingend doel. De vrije onderzoeker mag een doel nastreven (en zal dat ook vaak doen), maar dat is niet per se noodzakelijk. In ieder geval mag het doel voor langere tijd onduidelijk zijn, of impliciet blijven, of tussentijds worden bijgesteld of ingeruild voor een ander streven. Dat geldt voor alle toepassingen van dit onderzoek, bijvoorbeeld in de fietswereld, en ook voor de utilisatie er van in relatie met gebruikers in diezelfde wereld.
Anders dan bij mainstream wetenschappelijk onderzoek zal vrij onderzoek via ongebaande, soms nog ongekende paden tot kennis kunnen leiden. Waarbij het dus niet uitgesloten is dat vrij onderzoek onder bepaalde condities wel degelijk een wetenschappelijk gehalte kan hebben. Vrij onderzoek kan verder tot bruikbare toepassingen leiden. Misschien is vrij onderzoek soms wel geschikter om iets bruikbaars op het spoor te komen, want is niet gehinderd door heersende conventies en institutionele condities.
Menig vrij onderzoek zal veel gemeen hebben met het hiervoor beschreven ontwerpend onderzoek. Knutselen, experimenteren, beproeven, schetsen, of andere explorerende activiteiten worden er gebruikt om evenzeer tot technische en functionele oplossingen te komen. Meer nog dan in de wereld van creatieve ontwerpers en experimentele wetenschapper zullen vrije onderzoekers heuristisch, dat wil zeggen met vallen en op staan hun weg vinden. Vrij onderzoek is typisch het werk van ongebonden onderzoekers en ontwerpers, bijvoorbeeld wanneer ze het fietsen in een onverwacht mooi en praktisch daglicht stellen, fietsers eenvoudig dienstbaar zijn en heel blij maken, of ons verbazen met nieuw prototypes fiets, fietsvoorzieningen, -infrastructuren, -technologieën en niet in de laatste plaats fietsculturen.